Milan de Groot

Marco's 17-jarige zoon werd vermoord


In de nacht van 3 op 4 maart 2006 wordt er in Den Helder rond half vier 's-nachts aangebeld bij de woning waar Milan de Groot met zijn moeder woont. Milan's moeder opent de deur, een vechtpartij volgt. De 17-jarige Milan wordt neergestoken en de daders slaan op de vlucht. Vader Marco, die bijna Milan's hele leven alleen voor hem heeft gezorgd, wordt door de politie opgehaald. Beide ouders volgen hun zoon naar het ziekenhuis. Uiteindelijk wordt Milan nog naar een tweede ziekenhuis in de regio gebracht, waar hij zijn laatste woorden spreekt. Nu, bijna twee jaar na de moord, lopen de rechtszaken tegen hun einde, maar niet ten goede. Het lijkt erop dat de daders hier ongestraft mee weg komen. Vader Marco (61) is de wanhoop nabij: ‘Het is niet dat justitie zijn zoon vermoord heeft, maar ze vermorden mij nu.'

 

Marco vertelt

‘Ik kwam aan in het ziekenhuis en ik zag mijn zoon daar nog liggen op de brancard van de ziekenauto. Hij zei: ‘M'n moeder heeft me geholpen hoor pa. Ze kwamen met z'n tweeën binnen'.
‘Dat joch lag nog in bed toen die gasten binnenstormden. Milan was 1.90 m. lang, veel groter en sterker dan de dader. Maar hij werd vastgehouden. Het is in drie minuten gebeurd. De dader was helemaal doorgedraaid door drank, drugs en geweldfilms en had diezelfde avond nog ruzie met de politie in het centrum van Den Helder gehad'. Daarnaast zou hij diezelfde avond nog een ruzie hebben gehad met een kennis van Milan. Milan was er zelf niet bij geweest, maar 's-Nachts hebben ze hem dus opgezocht.
Marco vervolgt: ‘Ik ben niet iemand die in eerste instantie gaat zitten janken. Ik vroeg aan de zuster die daar rondliep: Is al dat bloed van Milan? En ik wees naar de enorme bak met bloed die naast hem stond. ‘Ja, zegt ze.' ‘Moet hij dan niet nieuw bloed hebben?' ‘Nee, dat heeft hij net gehad'. ‘Nou', zei ik, ‘daar kan nog wel een beetje bij zo te zien'. En Milan ging ondertussen door. Hij zei: ‘Pa, ik hou van je'. Hij was echt blij me te zien. Een lang gesprek was het niet, Milan moest naar het ziekenhuis in Alkmaar gebracht worden. Ik dacht dat Milan's moeder en ik met z'n tweeën in de ambulance meekonden, maar dat mocht niet. Er moest een keuze gemaakt worden. Ik was de vader en de voogd, maar ik dacht: ‘Ik woon vlak bij het station. Laat haar maar mee gaan, dan neem ik de eerste trein.' Zo zat ik vanaf een uur of vijf 's-Ochtends thuis op de eerste trein te wachten. Het wachten leek wel eeuwen te duren. Om ongeveer acht uur was ik eindelijk in het ziekenhuis in Alkmaar. Milan was onbereikbaar, die werd op dat moment behandeld. Om half elf hoorden we dat Milan was overleden. We mochten hem nog even zien, maar we mochten hem niet aanraken. Hij werd voor onderzoek twee dagen naar Rijswijk gebracht. Hij zag er echt verschrikkelijk uit. En dan sta je daar, in Alkmaar. Je wordt gewoon aan je lot overgelaten. Vanuit het ziekenhuis moesten zijn moeder en ik nog terug naar Den Helder. We waren kapot. Wij zijn met z'n tweeën naar de trein gestrompeld. Ik zat een uurtje thuis toen de recherche kwam. Alles bij elkaar heb ik toen zeventien uur op het politiebureau gezeten. Je kunt je voorstellen, je bent op dat moment helemaal doorgedraaid. Ik kletste wat, net zoals ik dat nog regelmatig doe. Ik ben er nog steeds niet helemaal bij.
Op de dag van de moord werd er een programma gemaakt voor televisie. Vijf dagen later kwam ik daar achter. Het was flut, er klopte niets van. Ik heb toen gebeld en gezegd dat er dingen veranderd moesten worden. Toen zeiden ze: ‘Wilt u even naar Amsterdam komen?' Dat heb ik nog gedaan ook. Ik heb toen een half uur durend programma vol zitten kletsen. Ongelooflijk dat ik het kon! Daarna, toen ik in de metro en in de trein zat, zag ik overal Milans en daders lopen. Ik weet nog dat ik thuis kwam en helemaal doorgedraaid was. Helemaal van de wereld was ik. Kotsend.

De eerste momenten dat je op de trein naar het ziekenhuis zit te wachten, of terug moet in zo'n trein. Je hebt geen emoties. Die zijn er natuurlijk was, maar je kunt er niet mee om gaan. Het leven gaat helemaal langs je heen. Later besef je pas wat er gaat gebeuren. Op het moment dat ik dat besefte, kwam ik van de ene rechtszaak in de andere terecht.'

 

'Zit je nou wel in de goeie hoek met die vrienden?'

Volgens zijn moeder sprak Milan zijn laatste woorden toen hij van de brancard naar het ziekenhuis in Alkmaar werd gebracht. Hij zei: ‘Nu ga ik dood. Hier ga ik dood'.
Achteraf vind ik dat hij niet meer naar Alkmaar gebracht had moeten worden. Daar zit ik nu mee, daar heb ik vréselijke dromen van. Ik had bij hem moeten blijven tot het laatst. Hij had enorm veel pijn, dat zei hij ook. Dan had hij in ieder geval die laatste paar uurtjes die er nog geweest zijn, zijn vader bij zich gehad. Wij waren gek op elkaar. En altijd stond ik achter hem, wat er ook gebeurde. Ik was er altijd voor hem. Vijftien jaar lang heb ik alleen voor hem gezorgd. We woonden met z'n tweetjes. Het was een noodsprong van hem om anderhalf jaar bij zijn moeder te gaan wonen. Hij was al vroeg groot en sterk, zag er ouder uit dan hij was. Op zijn veertiende was hij al rond de 1.80 m. en judode op hoog niveau. Hij raakte met jongens bevriend die zo'n vier vijf jaar ouder waren dan hij. Doordat hij met die oudere jongens omging wist hij het allemaal goed te vertellen. Op de school waar hij zat had hij een grote mond. En leren, ach, dat maakt hem allemaal niet veel meer uit. Hij ging liever sporten en een beetje keten. ‘Milan heeft een verkeerde invloed op de rest van de klas', beweerde zijn mentor. Milan werd toen van school af gestuurd. Het was april, dat betekende dat die jongen maanden op straat kwam te staan. Ik neem die mentor nog steeds heel veel kwalijk, daar is het allemaal mee begonnen.
Ik was het er niet mee eens dat hij niet op school zat. Tegen Milan zei ik: ‘Als jij het niet op school volhoudt, dan moet je iets anders gaan doen. Je moet niet denken dat je elke ochtend om 12.00 uur opstaat en een beetje rond gaat hangen. Ga leren, of werken, wat dan ook'. Hij heeft toen een paar baantjes gehad, maar hij was toen veertien of vijftien en mocht nog niet eens werken.
Ik zei hem dat hij echt iets moest gaan doen en dat hij van mij niet kon rekenen op fiks zakgeld. Toen zei z'n moeder: ‘Kom maar bij mij'. Zij gaf hem 20 euro per dag, dat kon hij zelf niet eens verdienen. Daar kon ik niet tegen op. Milan ging ons tegen elkaar uitspelen. Hij schold zijn moeder verrot. Hij kon niet goed met haar overweg.. Maar met mij wel, we deden altijd heel veel samen. Hij sliep alleen bij zijn moeder, maar zij was 's-nachts bijna nooit thuis. Ze was bij vriendjes, of weet ik veel waar ze zat. Dat is ook moeilijk voor zo'n jongen. Ik denk regelmatig dat ik hem al eerder een kans had moeten geven. Ik zag op het laatst echt dat alles weer ten goede zou keren. Ik zei in het begin al tegen hem: ‘Joh, zit je nou wel in de goede hoek met die vrienden? Jawel,' zei hij dan. Maar de laatste kerst die ik met hem heb meegemaakt, vlak voordat hij vermoord werd, zei hij: ‘Pa, je hebt gelijk. Het is zo'n rotwereld, het deugt niet, ik moet eruit! Ik was gelukkig toen ik hier nog bij jou zat en alles deed, maar nu ben ik helemaal niet gelukkig'. Ik vroeg: ‘wat ben je dan van plan?''Je hebt me toch ingeschreven voor die school'?, zei hij. Ík wil als de scholen weer beginnen, weer naar school. En ik wil lekker weer hier bij jou komen wonen', vervolgde hij. Hij had zijn sporttas al helemaal met opgevouwen kleren gevuld, om weer hierheen te komen.

 

Hier is geen recht

‘Ik kan alles op het ogenblik geen plek geven. Ik weet bij God niet wat ik eraan moet doen. Er moet iets gebeuren anders red ik het niet. Het gaat helemaal niet goed met me. Het is een puinhoop om me heen, en ook in mijn hoofd is het een stofbende. Er zijn op dit moment zoveel dingen niet geregeld, dat ik nog moet uitkijken. Straks sta ik nog met een daklozenkrantje bij Albert Heyn! Na de moord heb ik hulp gekregen van slachtofferhulp, Humanitas (soort van rouwverwerking) en een psycholoog. Humanitas werd na een jaar ingeschakeld en loopt nog steeds. Maar aan de psycholoog heb ik niet veel gehad en slachtofferhulp werd na een jaar gestopt. Aan de vrouw die dat gaf heb ik veel gehad, maar de instantie vond dat na een jaar alles over moest zijn. Ik was het er helemaal niet mee eens.
De opvang door Justitie is echt verschrikkelijk slecht geweest. Die hebben me zoveel beloofd maar zijn niets nagekomen.. Ze zouden rapporten opsturen en meer maar dat is niet gebeurd. In het begin had ik nog vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem. Maar na elke rechtszaak zijn de daders weer een stuk dichter bij hun vrijheid gekomen. Nu denk ik: ‘We leven helemaal niet in een rechtsstaat. Nederland is geen rechtsstaat, hier is geen recht.' Elke zitting krijg ik weer rechterlijke tegenslagen. Ik word murw gemaakt. Het gaat nu slechter met me dan een jaar geleden. In eerste instantie werd er negen jaar tegen de hoofddader geëist. Toen heb ik gezegd dat ik dat ook wel weer lang vond. Het gaat mij erom, zei ik toen, dat ze die jongens een geweten moeten schoppen. Maar een geweten hebben ze niet. De afgelopen keer in de rechtszaal (december 2007) hoorde ik pas dat Milan zó was gestoken, dat zijn longen zichtbaar waren. Uit het sectierapport bleek dat hij een steekkanaal van minimaal 10 centimeter had. De dader heeft mij die dag in de rechtbank vijf minuten toegesproken. ‘Het spijt me, écht, zei hij. Ik keek hem aan en zei niks. Ik dacht: ‘Jongen, jij komt straks vrij en dan ben ik de volgende'. Ik vertrouw die jongen niet. Ik geloof zijn spijt ook niet. Dan denk ik: ‘Hoe lang heb je hier op gestudeerd? Hoe lang heeft je advocaat je verteld hoe je dit moet zeggen?' Ook zei hij mij: ‘Als hij me vraagt waarom, dan weet ik het niet. Ik weet niet waarom ik het heb gedaan.' Nou ja, dat vind ik reden genoeg om die jongen nog het een en ander bij te brengen. Als hij hoe dan ook 's-nachts mensen van hun bed licht en een mes in de rug steekt, maar hij weet niet waarom? Dat vind ik nog enger dan wanneer hij had gezegd: ‘Ik haatte die jongen', of wat voor reden ook.
In eerste instantie zouden de daders als jeugdigen gestraft worden. Maar als het jeugd is, dan lopen ze niet 's-nachts om half vier strontlazerus en stoned, over de straat te schreeuwen dat ze pistolen willen en dat ze iemand gaan vermoorden. Dat hebben ze onderweg naar Milan op straat lopen roepen. Als dat nou niet voldoende reden is om die jongens een lesje te leren? Maar nee, de verdachte die in Suriname zit, heeft volgens zijn advocaat in de gang staan wachten. Er zou volgens hem maar één iemand naar binnen zijn gegaan. Dat geloof je toch niet? Milan heeft mij vanaf de brancard gezegd dat er twee daders waren, en ook zijn moeder heeft dit verklaard. Zij was er zelf bij! Maar nee, die verdachte krijgt geen enkele straf. De zaak met die verdachte is ondertussen al door de rechtbank afgedaan. Ik weet niet of ik daar nog iets tegen kan doen. De hoofdverdachte heeft zes-en-een-half jaar gekregen, waarvan hij nu bijna twee jaar heeft gezeten. Maar hij is nu in cassatie. Hij is in beroep gegaan tegen een beslissing van het gerechtshof. Een derde verdachte heeft bewijzen verdoezeld. Hij is voor 250 euro afgekocht. Dit kan zo toch niet? Het is toch belachelijk dat ik er op moeten aandringen dat de daders gestraft moeten worden? Ik vind nog steeds dat die jongens op zijn minst moeten wéten wat ze hebben gedaan.'


Ik weet niet of ik mezelf nog plezier gun

‘Ik leef van proces naar proces. Slapen lukt alleen met behulp van drank en pillen. 's-Morgens ben ik echt geen mens, dan moet ik mezelf bij elkaar rapen. Elke ochtend sta ik op en ben ik ziek, écht doodziek.  
En de laatste tijd denk ik, ze hebben m'n zoon vermoord, maar ze zijn nu met die strafzaken op een veel wredere manier bezig mij te vermoorden. Langzamerhand zo, dat je nergens meer zin in hebt. Ik zou dingen op willen pakken waar ik vroeger van hield, maar ik heb het nog niet gekund. Ik kan me nergens op concentreren. Vroeger als ik mij even lullig voelde, dan zette ik een van de laatste stukken van Beethoven op. Maar het raakt...ik weet niet of ik het mezelf gun zelfs. Ik heb het wel geprobeerd, maar dan zet ik het vlug af en kruip ik mijn nest in. Het is iets heel raars dat je jezelf op de een of andere manier niets plezierigs meer gunt. Hoe dat precies zit weet ik ook niet, maar dat gevoel heb ik.
Afgelopen zomer ben ik diverse keren met mijn dochter naar een museum geweest. Dan heb ik een prachtige dag, maar ben ik er wel een week ziek van. Aan de ene kant is het natuurlijk mooi, maar dan komt ook Milan weer voorbij. Hoe verschrikkelijk het is dat zo'n leven voor niks zo is afgebroken. Het was een knappe, innemende, lieve jongen, hartstikke lief met kinderen ook. Hij had alle kanten op gekund.
Marco leeft zichtbaar op wanneer hij over zijn zoon vertelt.
‘Ik ben heel trots op hem geweest, en nog steeds. Praten over wat er gebeurd is helpt niet met iedereen. Maar ik praat wel graag over Milan. Jaaa, want dan leeft hij weer! Ik denk heel vaak terug aan alle prachtige momenten die Milan en ik samen gehad hebben. Maar dat maakt ook weer verdrietig. Milan heeft natuurlijk nooit zo op deze manier willen sterven. Voor mezelf denk ik: Stel dat ik dit niet zo zou doen, me bezighouden met die rechtszaken en dergelijke - zijn moeder doet het niet - dan was er helemaal geen aandacht meer aan hem besteed. Dan was de hele zaak allang in de doofpot gestopt en dan zou Milan nooit hebben geleefd. Dat kan ik niet verdragen. Ik moet nog door, vind ik. Al heb ik er uiteindelijk niets mee bereikt, dan heb ik er in ieder geval alles aan gedaan wat ik heb gekund. Zou ik dan niet doen dan zou ik me nog rotter voelen dan nu.'

Dit verhaal werd opgetekend door Jarinda