Caroline Pino

Op 28 juli 1996 kwam mijn 24-jarige dochter Caroline niet op de afgesproken tijd op de camping in Crecy la Chapelle nabij Eurodisney, waar wij voor een week vakantiepret hadden geboekt.

Op 3 augustus gaven wij haar op als vermist bij de politie in Vught, waar wij wonen. Wij hadden dat in Frankrijk al willen doen maar deze lachten mij min of meer uit en zeiden, och mevrouw, die komt wel terug, en anders moet u in Nederland maar aangifte van vermissing doen.

Op 12 augustus gingen wij zelf op onderzoek uit en maakten de reis die Caroline en haar ‘kennis' hadden gemaakt naar Portugal. Dit deden zij deels liftend, deels met de bus.
Toen we op 17 augustus terugkwamen zonder een spoor van Caroline gevonden te hebben brak een tijd van wachten aan. Wachten waarop? Op een teken van leven of van dood?
Kon de politie mij niets vertellen, kon de ambassade mij niet informeren, wat deden ze voor mij of deden ze helemaal niets? Er moet toch inmiddels iets bekend zijn bij de politie?
Als je kind vermist is duurt elke dag honderd jaar.
Ik ga naar de politie in Wychen waar agent Petter inmiddels het onderzoek volgt. Hij is er niet op dat moment.
Ik wil informatie, weten ze al iets en als dat zo is, waarom vertellen ze me niets. Een woordvoerder ontvangt me in zijn kantoor, vertelt dat hij ook nog niets weet. Wel vraagt hij aan het eind van het gesprek, ‘heeft u er ook aan gedacht dat uw dochter dood zou kunnen zijn, mevrouw?' Met deze laatste zin nog in mijn hoofd rijden we weg uit Wychen. Maar nee, daar heb ik niet aan gedacht en daar wil ik ook niet aan denken.
Informatie, hoe summier ook, alles is beter dan verstoken te blijven van informatie.

Op 28 augustus komt agent Petter mij thuis het ontstellende bericht brengen. Caroline is dood gevonden nabij Parijs. Ze is gewurgd en in haar eigen slaapzak weggesmeten.
Steun en support krijgen is essentieel voor de verwerking van een groot verlies. De heer Petter heeft dit uitstekend gedaan. Hij was voor mij de schakel tussen de hel en het gewone leven.

Je lichaam moet nu zo snel mogelijk naar Nederland komen, vind ik. Maar er blijken moeilijkheden met de identificatie. Het kan nog weken duren wordt mij meegedeeld.
In mijn woede en onmacht bel ik de redactie van De Volkskrant en vraag of zij er een stukje over willen schrijven. Dat willen zij wel.

Op vrijdag 29 augustus neem ik contact op met de Nederlandse Ambassade in Parijs. Die kunnen niet veel voor me doen, zegt een woordvoerder. ‘Het is pijnlijk dat het zo lang duurt, maar als ambassade kunnen we daar niet in treden.'
Mijn persoonlijke visie is dat augustus een moeilijke maand is om zaken te doen met de Franse overheid, ze zijn dan immers met vakantie.

Op 3 september 1996 heb ik een gesprek met de heer Peter van Sprundel, consul bij de Nederlandse Ambassade. Als Nederlandse ambassade kunnen zij niet veel voor me doen, legt ook hij uit.
Mijn aanhoudende verzoek om mijn dochter zelf te identificeren zorgt ervoor dat hij de heer Ber Verbeek, attaché de police in Parijs, erbij haalt. Deze probeert me er ook van te overtuigen dat identificatie door mij niet mogelijk is. De reden: pas présentable.
Ook op mijn vraag om mij dan tenminste een haarlok van haar te tonen, wordt negatief gereageerd.
Men wil wel proberen een gesprek te arrangeren met de inspecteur die het onderzoek leidt, de heer Jean-Claude Dareau.

Op het bureau aan de Avenue de Paris, waar ik zelf de verwachting heb vragen te kunnen stellen, word ik door functionarissen met uitdrukkingsloze gezichten urenlang verhoord.
De heer Van Sprundel fungeert als tolk en stelt mijn vragen, waarbij naar mij gekeken wordt met een blik van ‘mevrouw denkt aan ons vragen te stellen maar zo werkt het hier niet, wij stellen hier de vragen.'
Ook worden mij een aantal attributen getoond, die bij Caroline zijn aangetroffen waaronder het hangertje dat Henk, haar vriend, haar heeft gegeven. Alleen Henk kan dit bevestigen.
We spreken af dat Henk de volgende dag naar Parijs komt.

Het is avond als we weer buiten staan. Daar wacht de ploeg van Tros-Vermist op ons en vraagt aan Van Sprundel of hij het gesprek nader wil toelichten. Met name wordt gevraagd waarom alles zo lang moet duren en of er door de Nederlandse Ambassade wel genoeg gedaan is.
Met een blik op zijn horloge zegt Van Sprundel, ja zeker, ja zeker, het is nu half tien 's-avonds. Waarop de journalist antwoordt, ja maar, het is vandaag 3 september en begin augustus is het lichaam van Caroline al gevonden. Van Sprundel vlucht daarop monkelend en hoofdschuddend weg.

Op 4 september herhaalt zich het ritueel als gisteren, nu wordt Henk urenlang verhoord. Henk herkent het hangertje dat hij aan Caroline gaf. Hiermee lijkt de identificatie rond. De heer Ber Verbeek condoleert mij met het verlies van mijn dochter. Daarbij zegt hij met nadruk, ‘luistert u goed naar mij mevrouw Vreeburg, voor u is nu de identificatie rond, daarom condoleer ik u. Zelfs in deze situatie is hij nog bang dat ik zijn condoleances zal gebruiken om de identificatie bevestigd te krijgen.
Maar nee, procedures moeten gevolgd worden.

Op 27 september heeft Netwerk een gesprek met de officier van Justitie in Frankrijk, de heer Davenas. Deze vindt alle commotie rondom de zaak Caroline overdreven. De familie moet rustig afwachten totdat zij met hun onderzoek klaar zijn.
Conclusie van de pers: de familie wordt nu pas op de hoogte gehouden. Waarom heeft niemand hen verteld dat ze daarvoor een advocaat nodig hadden, noch in Frankrijk, noch in Nederland?
Davenas: ‘Dat is niet onze taak, en zeker niet tegenover buitenlanders.'

Op 26 oktober 1996 kan ik het lichaam van Caroline afhalen aan de grens bij Hazeldonk.
Naast het verlies van mijn dochter heb ik schade opgelopen aan de benadering van ambtenaren en woordvoerders van de Ambassade, die niet in staat bleken tot een menselijke benadering in een stresssituatie. Het geven van informatie is uiterst belangrijk maar ook het menselijke aspect. Ik neem aan dat ook ambtenaren vaders en moeders zijn. Hoe zouden zij het vinden als hun kind als nummer 6969 drie maanden na haar gewelddadige dood in een smerige grijze lijkkist wordt afgeleverd?

In februari 2005 (achteneenhalf jaar later) is er nog geen spoor van een dader gevonden.
Is het onderzoek stopgezet? Zoekt men nog wel eens naar verbanden met seriemoordenaars die tientallen moorden op hun geweten hebben? (België)? (Frankrijk?)
Men laat mij niets weten.
Mevrouw de Jong, de advocaat die het dossier onder zich heeft, geeft mij geen antwoord op e-mail en telefoontjes wanneer ik haar om informatie hieromtrent vraag.
De voor mij emotionele zaken zoals het hangertje van Caroline, haar laatst geschreven brieven, haar spijkerjack, de slaapzak etc. heb ik nog steeds niet terug, ondanks al mijn pogingen via Slachtofferhulp, advocaat, etc.

Op 25 maart 2004 schreef ik hierover een brief aan Mevrouw Smits afdeling dcz/cm van BuZa met de vraag of zij voor mij wil informeren hoe het met het onderzoek staat. Toen ik na weken informeerde of mijn brief wel was ontvangen omdat ik niets hoorde deelde een juffrouw mij mee dat ze het niet wist.
Op mijn vraag of de ontvangst van brieven met een dergelijke inhoud niet werd bevestigd antwoordde ze, ‘nee, ontvangen brieven worden niet bevestigd.'

Na herhaalde pogingen om mevrouw Smits te spreken kreeg ik haar vrolijk aan de lijn met de melding dat zij mijn verzoek had doorgegeven naar Parijs. Op mijn vraag hoe lang zij dacht te wachten op een antwoord, antwoordde ze, ‘ik heb nu mijn plicht gedaan dus verder moeten we maar afwachten.
Gezien mijn ervaringen in het verleden neem ik aan dat het antwoord wederom uit blijft, dus zijn we weer terug bij af.
Ik heb nu begrepen dat elke drie jaar nieuwe functionarissen op de afdelingen zitten, zodat een moord, mocht er al iemand van op de hoogte zijn die geïnteresseerd zou zijn, niemand meer iets zegt, laat staan dat iemand zich nog inzet om de voor nabestaanden zo belangrijke informatie boven tafel te krijgen.

Wat mij het meest dwars zit is de bureaucratische houding van ambtenaren die zich verschuilen achter regels en wetten. Wellicht waren de mensen die ik ontmoette van goede wil, maar doordat richtlijnen ontbreken konden zij niets voor mij betekenen. Dat zou anders kunnen wanneer er duidelijke protocollen worden opgesteld voor calamiteiten zoals vermissing en moord in het buitenland.
Behandeld worden als nummer, dat is uiterst kwetsend en pijnlijk.
Begrip en steun van mensen is essentieel in een moeizaam en uiterst gecompliceerd rouwproces.
Ook in Frankrijk lijkt een vertrouwenspersoon bij de Ambassade als het gaat om ernstige zaken als vermissing en moord van groot belang. Omdat cultuur en mentaliteit in elk land weer anders zijn, wordt op dat moment begrip en support van een vertegenwoordiger van de Nederlandse Ambassade zo belangrijk.

Gedurende dit gehele traject heb ik als een roepende in de woestijn hulp gezocht bij het Ministerie van Justitie, Buitenlandse Zaken en Politie. Ik ontving voornamelijk formele briefjes. Een uitzondering hierop vormde de brief van Thom de Graaf die de moeite nam mij persoonlijk te schrijven en zijn medeleven te uiten.
Ook Boris Dittrich zette zich in door het stellen van Kamervragen in deze zaak.
De heer Ber Verbeek in Parijs leek iets te begrijpen van de stroeve communicatie en adviseerde mij destijds om alles eens netjes op papier te zetten, om zodoende verbetering tot stand te brengen. Daarvoor had ik de eerste jaren na de dood van Caroline niet veel energie meer.

Mijn lidmaatschap van de Vereniging Achterblijvers na Vermissing (VAV) bracht mij in contact met lotgenoten die iemand in het buitenland verloren. Aanvankelijk vermist werden de slachtoffers later gevonden waarbij tal van problemen optraden in verband met repatriëring van het lichaam van het slachtoffer. Geen medewerking van BuZa en Ambassade etc.
Eenmaal bleek een slachtoffer reeds te zijn begraven in Frankrijk zonder dat de nabestaanden daarvan op de hoogte waren gesteld.

De leden van de Vereniging Ouders van een Vermoord (VOVK) waren aanvankelijk ouders wiens kind in Nederland werd vermoord. Later kwamen daar meer echtparen bij wiens kind in het buitenland om het leven kwam. We liepen vrijwel allemaal tegen dezelfde problematiek op zoals, de slechte opvang, het ontbreken van informatie, geen hulp van Buitenlandse Zaken etc.

In 2000 startte ik naast de VOVK een werkgroep die zich voornamelijk met de problematiek rondom moord in het buitenland bezighield. Daarvoor deed ik een oproep via Tros-Vermist. Ik kreeg een tiental reacties van mensen die soortgelijke ervaringen opdeden zoals bovengenoemd geschetst.

Als monument voor mijn dochter publiceerde ik in september 2000 het boek Caroline, waarin ik de gebeurtenissen heb opgetekend en waarmee ik aandacht wilde vragen voor de dingen die fout gingen.
Een en ander leidde tot het geven van lezingen en voordrachten, die het thema zinloos geweld behandelen.

Inmiddels zijn er steeds meer slachtoffers van moord in het buitenland en heeft het wellicht zin om door middel van ons verhaal aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken kenbaar te maken, wat er schort aan de opvang van nabestaanden van slachtoffers in het buitenland.
Wellicht is het mogelijk een zodanig beleid te maken op deze materie dat mensen in de toekomst naast de al zeer traumatische ervaringen niet nog eens dubbel worden getroffen door ondeskundig en ongeïnteresseerd handelen van ambtenaren en woordvoerders.

Deze bijdrage wil een schakel zijn tot verbetering van deze gecompliceerde materie. Waar mogelijk ben ik graag bereid daadwerkelijk suggesties en ideeën hiertoe uit te wisselen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken..

Juni 2011
Inmiddels heb ik via Buitenlandse Zaken het hangertje met spijkerjasje en een aantal andere belangrijke zaken Caroline betreffende, teruggekregen. Ook heeft BZ gezorgd voor een bezoek aan DE PLEK waar het lichaam van Caroline werd gevonden. Een belangrijke gebeurtenis die in augustus 2009 plaatsvond en voor mij een klein pleistertje op een grote wond is en waarvoor ik met name Mevrouw Marjolein Diks heel erkentelijk ben.
Wij bezochten DE PLEK samen met een aantal BZ-functionarissen, politie van Versailles, burgemeester etc.. In de Jardin du Souvenir legden we witte rozen. Dit alles maakte deze dag tot een onvergetelijke. Het respect dat ik zo lang gemist had, werd nu alsnog betoond.
Reden tot dankbaarheid.
Blijft het onverteerbare feit dat de moordenaar van Caroline nooit werd gevonden en dus altijd ongestraft kan rondlopen, terwijl ook de toedracht van de gebeurtenis voor mij altijd een raadsel blijft.

Moeder van Caroline Pino
Wil Vreeburg
Klein Brabant 171
5262 RS Vught
Tel. 073 656 3206